SpellingCoach Tip 1: D? T? of DT?

door

D? T? DT? Eigenlijk heel makkelijk!

Voor wie het even kwijt is: een korte uitleg met voorbeelden over wanneer je d, t of dt schrijft.

Persoonsvorm tegenwoordige tijd

Check eerst of het werkwoord waarover je twijfelt wel een persoonsvorm is. Geen idee? Scroll dan eerst even naar beneden, voor een opfrissertje over werkwoorden en persoonsvormen.

Een persoonsvorm in de tegenwoordige tijd kun je op drie manieren schrijven:

  • ik-vorm (stam) –> ik schrijf
  • ik-vorm + t (als het geen ‘ik’ is, maar jij, hij/zij, het, u of men -> jij schrijft
  • meervoud -> we schrijven

Staat er ‘je/jij, hij/zij, het of men voor de persoonsvorm? Dan zet je dus een ‘t’ achter de ik-vorm. In alle andere gevallen kies je voor de ik-vorm of de meervoudsvorm.

Voorbeelden:

Voorbeeld 1:
Hij vindt een weekje vakantie te weinig. (ik-vorm vind + t)

Voorbeeld 2:
Jij loopt morgen de halve marathon? (ik-vorm loop + t)

Voorbeeld 3:
Het huis brandt tot de grond toe af (ik-vorm brand + t)

Extra:

Trucje: vul het werkwoord ‘lopen’ in

Werkwoorden zijn van het jaloerse soort: ze willen altijd wat een ander heeft. Dus, als het ene werkwoord een ‘t’ krijgt, dan willen álle werkwoorden een ‘t’. Daarom werkt het trucje ‘vul het werkwoord lopen in’ meestal zo goed: is het loopt, dan is het ook vindt, hoort, brandt en wordt. Vervang de zin ‘hij vindt het niet goed’ door ‘hij loopt het niet goed’. Je krijgt inhoudelijk weliswaar een rare zin, maar je hoort wel gelijk of er een t achter de persoonsvorm moet of niet.

Wat als ‘je’ achter de persoonsvorm staat?

Je is niet helemaal recht door zee, want als je achter de persoonsvorm staat, komt er geen t! Dat klinkt misschien nodeloos ingewikkeld, maar het valt in de praktijk reuze mee. Kijk maar eens naar het volgende voorbeeld:

Voorbeeld
‘Vind jij dat gek?’ De persoonsvorm schrijf je nu zonder t. Als je ook hier het woordje lopen invult, zal je zien dat het klopt: ‘Loop jij… (dat gek?)’ Wederom een rare zin, maar het is nu wel duidelijk dat hier geen t achter de persoonsvorm komt.

Conclusie

Alle persoonsvormen krijgen in de tegenwoordige tijd een ‘t’ achter de ik-vorm, als het om een je/jij, hij/zij, het, u of men gaat. Alle persoonsvormen waar je/jij achter staat, schrijf je zonder die extra ‘t’: loop jij, en dus ook vind jij, brand jij en werk jij.

Begrippen:


Werkwoord

Een werkwoord is een woord dat een handeling aangeeft. Het vertelt je wat er gedaan wordt. Ze worden daarom ook wel doe-woorden genoemd. Voorbeelden hiervan zijn: schilderen, slapen, lopen, fietsen, lezen, voetballen, liggen, schreeuwen en koken, maar ook abstractere woorden als zijn, vinden, worden, zullen, moeten en blijven.

Persoonsvorm

Het belangrijkste werkwoord in de zin: Het bepaalt of de zin in de tegenwoordige of verleden tijd staat en of de zin in het enkelvoud of meervoud staat. Het is vaak een concreet werkwoord.

Er zijn verschillende mogelijkheden om een persoonsvorm op te sporen. De meest gebruikte manier is om de zin in een vraagzin om te zetten (zie voorbeeld 1). De persoonsvorm komt dan vooraan te staan. Een andere mogelijkheid is om de zin in een andere tijd te zetten (zie voorbeeld 2). Het werkwoord dat verandert is de persoonsvorm. De laatste optie is om de zin te veranderen van enkelvoud naar meervoud of andersom (zie voorbeeld 3). Het werkwoord dat verandert is, de persoonsvorm.

Voorbeelden:

Voorbeeld 1
Jij wil morgen gaan fietsen. Wil jij morgen gaan fietsen?

Voorbeeld 2
Jij wil morgen gaan fietsen. Jij wilde morgen gaan fietsen.

Voorbeeld3
Jij wil morgen gaan fietsen. Jullie willen morgen gaan fietsen.

0 reacties

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Share This